Artikel

Nieuw in box 3: vermogensaanwasbelasting

20 februari 2026

Box 3 verandert. Vanaf 2028 betaal je geen vermogensrendementsheffing maar vermogensaanwasbelasting. En als het aan de coalitie van VVD, CDA en D66 ligt, stappen we daarna over op vermogenswinstbelasting. In dit artikel lees je wat dit betekent en hoe het zit met kapitaal- en lijfrenteverzekeringen.

 

Forfaitair rendement

Tot en met 2025 betaal je in box 3 nog de bekende vermogensrendementsheffing. Dit is een belastingheffing over een geschat rendement (forfait) dat door de belastingdienst is vastgesteld. Deze heffing geldt voor iedereen met vermogen in box 3 boven het heffingsvrije vermogen (2026: € 59.357 per belastingplichtige). Belasting dus, over een geschat rendement op bijvoorbeeld spaargeld, beleggingen of een tweede huis en niet over het rendement dat daadwerkelijk op deze bezittingen is gemaakt. We noemen het daarom een forfaitair rendement.

Er waren bezwaren tegen dit forfaitair rendement. Het geschatte rendement was voor veel mensen hoger dan het werkelijk behaalde rendement. Zij vinden dat zij daardoor te veel belasting betaalden. De Hoge Raad heeft daardoor al in 2024 beslist dat de box 3-heffing op basis van het forfaitaire rendement aangepast moet worden.

 

Vermogensaanwasbelasting

Om dit op te lossen, wordt vanaf 2028 een nieuw stelsel ingevoerd. Dit stelsel werkt op basis van vermogensaanwasbelasting. Deze belasting wordt geheven op basis van werkelijk rendement. Dat is het rendement dat je daadwerkelijk maakt op je bezitting in box 3 binnen een bepaald belastingjaar. Het werkelijke rendement wordt berekend door de waarde van de bezittingen aan het begin en het einde van het jaar met elkaar te vergelijken. Daarnaast worden ook daadwerkelijk behaalde voordelen zoals rente, dividend of huurinkomsten in de heffing betrokken. Dat klinkt mooi, maar ook hier zitten nadelen aan.

Bijvoorbeeld als je aandelen hebt die in een bepaald jaar in waarde zijn gestegen. Als je in dat jaar geen aandelen hebt verkocht, betaal je belasting over winst die op papier is gemaakt, maar die je niet daadwerkelijk hebt ontvangen. Het kan zijn dat je dan een deel van je aandelen moet verkopen om de belasting te kunnen betalen.

Andersom is het voor de Belastingdienst niet mogelijk om belastinggeld terug te storten als je waardestijging in het jaar daarna teniet wordt gedaan. Te veel betaalde belasting over een langere periode krijg je niet zomaar meteen terug. Als het om grotere bedragen gaat, kan het particulieren en kleine bedrijven in de problemen brengen als zij dit geld niet direct beschikbaar hebben.

 

Hoe gaan we over naar vermogensaanwasbelasting?

De overstap naar vermogensaanwasbelasting wordt nu uitgevoerd. Voor de belastingjaren 2025, 2026 en 2027 kun je in de aangifte inkomstenbelasting zelf kiezen of je belasting betaalt over het forfaitaire of het werkelijke rendement. Vanaf 2028 betaalt iedereen belasting over het werkelijk rendement. Er is wel een uitzondering op onroerend goed en aandelen in start-ups, zij betalen pas belasting bij verkoop, hiervoor geldt dus de vermogenswinstbelasting.

Ook de vermogensaanwasbelasting is niet ideaal en daarom wordt dit gezien als en tijdelijke oplossing.

 

Vermogenswinstbelasting

Voor box 3 komt de coalitie van VVD, CDA en D66 nu met een nieuw plan voor 2029: vermogenswinstbelasting, een vorm van belasting die in meeste andere Europese landen al geldt.

Je betaalt pas belasting over de toegenomen waarde op het moment dat je jouw bezitting verkoopt. Het geld voor de vermogenswinstbelasting is dan meteen beschikbaar om aan de Belastingdienst te betalen. Dit kan een hoge aanslag worden, omdat de volledige winst tussen aankoop en verkoop in dat ene jaar wordt belast. Gegevens over aan-en verkopen die niet automatisch door banken en verzekeraars worden aangeleverd aan de Belastingdienst moet je dan door de jaren heen goed bewaren. Aangezien voor onroerend goed en aandelen in start-ups de vermogenswinstbelasting al vanaf 2028 geldt, is het nodig dat de ‘beginwaarden’ per 1 januari 2028 worden vastgesteld om bij verkoop de waardestijging vast te kunnen stellen.

Dit plan voor vermogenswinstbelasting voor andere vermogensbestanddelen dan onroerend goed en aandelen in start-ups is nu nog een voornemen van de coalitie, nog geen concrete plannen en uitvoering dus.

 

Hoe zit het met lijfrentes?

Alleen saldolijfrenten – oude lijfrentes met niet-aftrekbare premies – vallen in box 3. De overgangsregeling voor deze polissen is per 31 december 2020 beëindigd (met eenmalige afrekening van het rentebestanddeel in box 1); vanaf 2021 behoort de aanspraak zelf tot box 3. De Belastingdienst ziet die dan niet meer als echte lijfrente, maar gewoon als vermogen. Dit blijft ook zo onder het nieuwe stelsel, waarbij dan het werkelijke rendement wordt belast.

Daarnaast behoren nettolijfrenten (lijfrente opgebouwd vanuit het nettoloon waarvoor geen aftrek is genoten in box 1) tot het box 3-vermogen, maar zijn vervolgens volledig vrijgesteld van box 3. Dit verandert niet in het nieuwe stelsel.

Over het algemeen vallen lijfrentes dus niet in box 3, maar in box 1. Dat betekent dat de vermogensaanwas of vermogenswinstbelasting niet direct voor lijfrentes geldt. Wel kan er een indirect effect zijn.

Je belegt privé in box 3 en behaalt rendement, daarna stort je dit vermogen in een lijfrenteproduct. In dat geval valt het rendement dat je maakt wél in box 3. Maar zodra het geld gebruikt wordt voor storting op een lijfrentepolis zit, valt het weer buiten box 3.

 

Lijfrentes blijven aantrekkelijk

Lijfrentes blijven fiscaal aantrekkelijk omdat ze meestal buiten box 3 vallen en je dus geen vermogenswinst- of vermogensaanwasbelasting hoeft te betalen. De premies zijn (binnen de jaarruimte/ reserveringsruimte) aftrekbaar en de uitkeringen worden in box 1 mogelijk tegen een lager belastingtarief belast als de uitkeringen plaatsvinden na je AOW-gerechtigde leeftijd. Dat belastingtarief is lager dan het tarief dat gold in de periode waarin je nog werkte.

 

Kapitaalverzekeringen

Kapitaalverzekeringen vallen doorgaans in box 3. In het nieuwe stelsel wordt jaarlijks de waardeontwikkeling (aanwas) belast. Deze waarde wordt bepaald op basis van de actuariële reservewaarde.

Er geldt in box 3 onder voorwaarden een uitkeringsvrijstelling voor oude kapitaalverzekeringen (van vóór 14 september 1999) tot een bedrag van € 123.428. Deze vrijstelling wordt in het nieuwe stelsel gecontinueerd.

Zuivere overlijdensrisicoverzekeringen zijn in het nieuwe stelsel volledig vrijgesteld.

 

Laat je goed adviseren!

Een financieel adviseur of belastingadviseur kan je helpen met jouw persoonlijke financiële situatie, want de belastingregels kunnen voor iedereen weer anders uitpakken. Je adviseur kent ook de fiscale regels die van toepassing zijn op jouw lijfrenteverzekering.